Het was vanochtend nog best vroeg toen ik wakker gewekt werd door een stem buiten.
Er zijn de laatste tijd wel meer stemmen buiten in de nacht sinds er een nieuwe bewoner is komen wonen. Er straalt wat onrust van het huis van deze bewoner af. De van verschillende oude planken schots en scheef in elkander gezette en inmiddels weer half ingestortte schutting is hier een mooie metafoor van.
Weer onrustige stemmen in de nacht dus. Of was het nou maar één stem? Ik keek naar de wekker en zag dat het half zes was.
Toen ging de bel van de voordeur.
Met een ruk zat ik stijf overeind (tis flauw ik weet het, maar ik kon het niet laten) in mijn bed. Ik was doodstil. Misschien was er wel wat met een bekende aan de hand, maar dan had ik wel een telefoon gehoord. Instinctief voelde ik aan dat het aanbellen met de stem buiten te maken had.
Misschien belde de stem wel aan!
Er werd nog een keer gebeld.
Ik sloop met een bonkend hart de trap af en gluurde door een kiertje van een gordijntje naar buiten. Voor de deur stond een meneer die ik niet kende. Ik besloot dan ook niet open te doen. Voorzichtigheid is geboden, maar misschien was ik ook wel een beetje bang.
Ik besloot wel dat iemand die in een witte jas in de late nacht buiten hardop loopt te praten en een potje aan het aanbellen is, er niet op uit is om zaken te plegen die het daglicht niet kunnen verdragen, maar dat hij eerder misschien wat in de war is.
Ook een reden om de deur dicht te houden.
Ik sloop verder door mijn huis (nadat ik nog wel even getsjekt had of de voordeur echt op slot was) en zag via een kier in de luxaflex in de keuken de man via het trappenhuis een verdieping hoger gaan. Ik hoorde hem daar verder praten, maar zag em niet meer. Wel zag ik bij een van de buren het licht aangaan en de buurman naar buiten kijken wat er loos was. Moedig maar ook dom oordeelde ik snel. Met het licht aan ziet de pratende man je achter het raam staan. Ben je een duidelijk doelwit!
Ik bleef onrustig door mijn donkere huis sluipen. Vond dat het doortrekken van de plee al te veel lawaai maakte.
Ik zag een schaduw achter de luxaflex voorbij lopen. En weer werd er aangebeld.
Misschien is hij wel in nood dacht ik nog. En moet ik hem helpen.
Een jaar of wat geleden stond er een man midden in de nacht en midden op de weg voor mijn otoo met z'n armen te molenwieken. Ik stopte omdat ik dacht dat hij hulp nodig had. Binnen drie tiende van een seconde zat hij naast mij en wilde met mij naar een café. Ik besloot in ieder geval niet langs mijn huis te rijden zodat mijn woning anoniem voor hem zou blijven. Na een kwartiertje rondrijden met veel praten en twee keer stoppen waarbij ik beleefd zijn deur openhield en hem een keer verzocht om uit te stappen en de tweede keer vertelde dat we bij het café waren, bleef hij gewoon zitten. Hij had waarschijnlijk toch door dat de apotheek geen café was.
De enige optie leek mij nog om zijn deur niet zo heel goed dicht te doen en daarna met een achterlijke snelheid een bocht naar links te nemen.
Ik besloot echter om als een pauw mijn veren op te zetten. Ik opende nogmaals zijn deur, legde mijn hand dwingend op z'n schouder en vertelde hem dat hij nu op moest zouten. Hij stapte uit en liep zonder om te kijken weg.
Misschien was het deze vroege morgen nu ook tijd om eens een pauw te zijn. Tenslotte vertelde iemand mij recent nog dat ik brede schouders heb!
Een beetje boos, een tikkeltje angstig, ietwat behulpzaam, best wel nieuwsgierig en met brede schouders schoof ik eerst het gordijntje voor de deur weg. "Wat mot dat!" riep ik, waarna ik mijn borstkast helemaal vol met lucht zoog.
De man deinsde wat terug. Ik opende de deur en hij begon zich te verontschuldigen. "O sorry man, ik zoek Jamal maar ik kan hem niet vinden in dit doolhof hier."
"Staat er Jamal op het naamplaatje?" riep ik hem stoer toe, terwijl ik naar rechts wees. Hij keek naar links en zei "ik zie helemaal geen naamplaatje!".
Met mijn bek vol ongepoetste tanden realiseerde ik mij dat ik na de schilderbeurt in 2008 het naamplaatje niet meer opgehangen had. En dat dit nu eigenlijk ook heel goed was, anders had hij nu geweten hoe mijn naam is.
We wisselden nog wat woorden uit. Hij dat ie Jamal toch maar niet kon vinden. En ik dat het hoogst ongebruikelijk was om op dit tijdstip zomaar ergens aan te gaan lopen bellen.
Ik had mijn schouders weer wat laten zakken en alle lucht zat in mijn buik in plaats van in m'n borstkast. Ik was vergeten om pauw te zijn en werd weer wat onzeker. Ik riep daarom dat het mij wel een goed idee leek om de plietsie eens te gaan bellen. Dat moest ik dan maar doen vond hij.
Na het bereiken van deze consensus sloot ik de deur. Ik zag hem even later buiten weg lopen. Jamal was blijkbaar onvindbaar en had in ieder geval zijn mobiel niet aanstaan bedacht ik mij nog.
Misschien ligt hij wel ergens voor pampus.
Of misschien bestaat hij helemaal niet. |